Rouwverwerking

"Verdriet is toegestaan, ook na 7 jaar"




 

Verdriet is toegestaan, ook na zeven jaar.

Kristien Rombouts.

Op de achterruit van de gezinswagen van Caroline en Ludo Bogemans-Osselaer staan twee meisjesfiguurtjes geschilderd, met de namen van hun dochters Laura (7) en Lien (5) eronder.
Het Laurafiguurtje heeft een ballon vast, met in het midden de letter ‘H'. D H van Hélène, Laura's tweelingzusje dat vier dagen na hun geboorte overleed. Caroline en Ludo vertellen over het verdriet om hun kind dat ze amper hebben mogen kennen.

Caroline: “Laura en Hélène zijn geboren na vijfentwintig weken en vijf dagen zwangerschap.
Ze waren perfect: handjes, teentjes, nageltjes. Alles erop en eraan. Maar ontiegelijk klein. Voor Laura amper 700 gram, moesten de artsen vlak na de geboorte vechten om haar ‘in gang te krijgen'.
Hélène, 835 gram en 32,4 centimeter, was de grootste en de sterkste van de twee. Ze had een mooie kleur en deed het eigenlijk heel goed. Maar de derde avond had ik een voorgevoel. Om vijf uur 's ochtends belde ik naar de afdeling neonatologie en de verpleegster antwoordde al: ‘Het gaat niet zo goed met Hélène. Ze moet extra zuurstof krijgen.'
Die middag bleek al dat ze een hele zware hersenbloeding had gehad, ook de centrale hersenstam was geraakt. Ze had geen enkele kans meer. Toen duidelijk was dat ze zou sterven, mochten we haar voor het eerst vasthouden. De eindbeslissing om de apparatuur af te zetten lag bij ons. ‘Zeg maar als je er klaar voor bent', zeiden de artsen en verpleegkundigen. We hadden daar maanden kunnen zitten.
Op mijn arm, op Ludo's arm. Honderd keer vragen: ‘jullie zijn toch zeker?' Maar je zag het zo. Hélène ging voortdurend in alarm. Zelfs let de apparatuur begon ze weg te zakken. Ze is in mijn armen gestorven. Vanaf de tweede dag had Hélène een frons op haar voorhoofd. Toen haar lichaampje stilviel, verdween die frons. Alsof de pijn weg was”.

 

Ludo: Een week lang pendelden we tussen Hélène in de kelder en Laura op neonatologie. Een schat van een nonnetje was verantwoordelijk voor het mortuarium. We mochten haar elk moment van de dag bellen. Een kwartier later lag Héleentje klaar. Drie keer per dag, desnoods. En dan zaten we daar urenlang met haar in onze armen te speuren naar leven. Je wilt zo graag, dat je op den duur ook bijna ademhaling ziet.

Een verpleegster maakte voor ons een voetafdrukje van Hélène. Toen we haar tijdens het volgende bezoek uit de doeken wikkelden wad dat voetje onberispelijk proper. Dat respect voor ons dood kind, ontroerde ons.

Na die week heb ik haar zelf in het kistje gelegd. Je vergeet veel, hoe ze rook, hoe ze voelde.
Maar dat moment kan ik nog haarscherp oproepen. Ons kind bijna uit Carolines armen moeten trekken omdat zij haar niet wilde loslaten: weten dat ze tien seconden later dat kiste toeschroeven. Dat is pure onmacht. Die laatste blik op Hélène staat in mijn geheugen gegrift, maar als het ooit vervaagt zijn er de foto's”.

 

Je hebt er toch nog eentje.

Caroline: “Buitenstaanders denken soms dat het verlies van een baby minder erg is omdat je dat kind toch nooit gekend hebt. Maar zo werkt het niet. Net dat je geen herinneringen hebt, is zo moeilijk.
We hebben nooit Hélènes stem gehoord, nooit de kleur van haar oogjes gezien. We weten niet hoe ze gelachen zou hebben. Al het tastbare – het moltondekentje waar ze op gelegen heeft, de knuffel die ze bij de geboorte kreeg – zit in één glazen kastje in de living. Buiten drie dagen naast de couveuse zitten, en enkele foto's, hebben we verder niks.

De ongelukkige opmerking: ‘je hebt er toch nog eentje', kwetste ons telkens opnieuw. Ludo heeft ooit geantwoord: ‘Jij hebt er zelfs vier. Doe er gewoon eentje weg, en je hebt er nog altijd drie over, meer dan ik'. Natuurlijk waren we heel blij dat Laura er nog was. Maar dat staat los van de pijn en het verdriet om het kind dat wij verloren hadden. Nu beseffen we wel dat wij in de omgekeerde situatie misschien ook verkeerde dingen zouden zeggen. Maar zo relativeren kan je echt niet in het begin.

Die eerste maanden nadat Hélène gestorven was, had ik maar één doel in mijn leven: ‘Laura MOET leven'.

Tegelijkertijd zou ik het liefst met een grote hoed met erop in gigantische letters ‘mijn kind is dood' hebben rondgelopen. Ik heb veel mensen geshockeerd. Toen Laura eindelijk thuis kwam, ging ik vaak wandelen. Fier met mijn baby. En tegen iedereen die boven de wandelwagen naar mijn kind durfde te kijken, zei ik ‘ze is de helft van een tweeling, haar zusje is dood'.
Ik moest tegen hen zeggen dat Hèléne er was geweest en dan wandelde ik verder met mijn wandelwagen. Mensen kennen tegenwoordig niet meer aan je zwarte kleren zien dat je rouw, terwijl ik net wilde dat de hele wereld mijn verdriet zag.”

 

Ludo: “Je wil praten over wat je overkomen is en gelukkig kan onze maatschappij dat verdragen.
Maar niet te veel. Mensen willen een keer luisteren, twee keer, driekeer desnoods. Maar de tiende keer steekt de buurman echt de straat over. Nog steeds gaan we om de zes weken naar de praatgroep ‘Met lege handen' voor ouders van een overleden baby. We noemen dat ons Héleentjes moment. Het is fijn om nog eens over haar te kunnen praten. En we zitten ondertussen in het bestuur van de vereniging.
De bedoeling is om ouders die hun baby verloren opnieuw op weg te helpen. De meesten komen niet zo lang als wij. Maar een jaar of twee je verhaal kwijt te kunnen, is vaak heel belangrijk voor de verwerking.”

 

Caroline: “Toen Laura vijftien maanden was, werd k zwanger van Lien. Mensen denken dan vaak: ‘Je bent opnieuw zwanger, nu is alles terug goed.' Alsof een nieuw kind ooit je overleden kind kan vervangen.
Het werd uiteraard een angstige zwangerschap. Toen ik de operatiekamer werd binnengereden voor een keizersnede huilde ik: ‘Laat mijn kind zitten, als ze nu geboren wordt, gaat ze dood.' Die eerste dagen heb ik Lien nauwelijks vastgehouden. Alsof ik dacht: ‘Als ik me niet aan haar hecht, kan ik haar ook niet missen als er iets gebeurt.' Tot ze de vierde dag had overgegeven en ik haar onverwachts moest vasthouden terwijl de verpleegster haar bedje verschoonde. Plots was dat zalig gevoel er: ‘dit is mijn meisje'. Toen haar bedje klaar was, zei ik tegen de verpleegster: ‘Laat me nu maar.”

 

Had je liever gehad dat ik dood was gegaan?

Caroline: “Laura is een klein fijn meisje, maar verder heeft ze nauwelijks iets overgehouden aan haar vroeggeboorte. Ze is nu erg bezig met haar tweelingzusje en komt met vragen als ‘waarom is Hélène dood en ik niet?' of ‘had jij liever gehad dat ik dood was gegaan?'
Op sommige vragen kunnen wij gewoon geen antwoord geven. ‘Waar is mijn zus nu?' en ‘Zien wij de doden dan nooit meer?' Toen ze zei: ‘ik wil dood, dan kan ik naar mijn zus', was ik totaal van de kaart.
We hadden wel verwacht dat ze het ooit moeilijk zou hebben, maar nu toch nog niet. Ze is zeven jaar! Kinderen van die leeftijd moeten spelen, genieten en kattenkwaad uithalen, niet met zo'n diepe levensvragen zitten.

 

“Een kind verliezen is een zware beproeving voor je huwelijk. Ludo huilde niet, alleen dat al stootte me van hem af”, vertelt Caroline. Ludo knikt, “Mijn verdriet was niet zichtbaar, maar het was er wel.
Mannen en vrouwen rouwen nu eenmaal anders. Gelukkig wisselden onze diepe putten elkaar af. Als ik het moeilijk had, kon Caroline mij opvangen en omgekeerd. We hebben het samen gered door heel veel te praten, te zeggen wat je voelt, te zeggen wat je denkt.” “En door de ander de kans te geven om verdriet te hebben”, vult Caroline aan. “Als ik nu nog eens een slechte periode heb zeg ik wel duizend keer: ‘Sorry, Ludo'. Maar hij antwoordt dan: ‘Laat maar komen.' Verdriet is toegestaan in onze relatie.
En dat is heel belangrijk. Nu misschien nog meer dan in het begin. Want eigenlijk verwacht de maatschappij dat het verdriet na zeven jaar afgesloten is, weg, voorbij.”

Ludo: “Het is verschrikkelijk dat Héleentje is gestorven, maar onze relatie is dieper, hechter geworden. Helaas is dat niet altijd zo.”

 

Niet vergeten.

Caroline: “Ergens zal Hélène altijd een stuk van ons gezin zijn. We hebben vrienden die elk jaar met Allerheiligen een uur heen en een uur terug rijden om met hun drie kinderen een zelfgemaakt bloemstukje op Hélènes graf te zetten. En ook mijn mama, zusje en schoonzusje laten vaak merken dat zij Hélène niet vergeten zijn. Dat vinden wij fantastisch.

Ons huis is geen bedevaartsoort, we zijn niet dagelijks met het verlies bezig. We gaan regelmatig naar het kerkhof, en als ze willen mogen de kinderen mee, maar ze moeten nooit. Wij willen dat het leuk voor hen blijft, en dat is het ook; we blazen zeepbellen. We gaan luidskeels ‘Lang zal ze leven' zingen met Laura's en dus ook Hélènes verjaardag. De echt moeilijke momenten maken we alleen door, daar willen we onze kinderen niet mee confronteren. Op donkeren dagen is de pijn nog even diep als de eerste dag, gelukkig komen ze minder voor. Maar op bijzondere momenten, Laura's eerste schooldag of een fijne dag op het strand, besef je telkens : ‘er had er nog zo eentje moeten zijn.'”

Meer info www.metlegehanden.be

Uit: 'De Bond' 27 juni 2008

index Marco

 

©by Martha™ created with love